top of page

Ik ben boos

Boosheid is een emotie, die ik goed ken. 'Ik ben mijn hele leven al boos', zei ik, toen iemand mij laatst vroeg naar wat ik voel bij het thema ‘boos’. Ik kreeg een verblufte emoji terug. En ik denk, dat ook andere mensen daar ongemakkelijk op zouden reageren, als ik deze uitspraak zou doen. Boosheid schrikt af. 'Wat is er dan? Wat kan ik voor je doen?', is vaak de reactie. Maar waarom is het niet oké om boos te zijn of je ergens kwaad over te maken? Ik denk dat het komt, omdat veel mensen zich er ongemakkelijk bij voelen en het in de praktijk vaak tot niets leidt. Kan boosheid überhaupt tot verbinding leiden? Ik vraag het me af.


Kleine kinderen zijn ook vaak boos. Dat hoort erbij. Termen als peuterpubertijd zouden een verklaring moeten bieden, voor dat soort emoties en bijbehorend gedrag. Als ouders/opvoeders de schone taak om je kind te leren om te gaan met emoties, en vooral de emoties die niet zo fijn zijn, zoals boosheid. Al heeft onze dochter van 2 daar geen boodschap aan, want zij wil vooral onafhankelijk zijn en alles zelf kunnen, en lukt dat niet, dan wordt ze razend. Of soms zonder aantoonbare reden, compleet uit het niets.


Ook op school wordt er aandacht besteed aan emotionele ontwikkeling. Zo kwam onze oudste dochter van 5 laatst thuis met een kleurenmonster, waarbij iedere kleur een emotie vertegenwoordigt. Tijdens het oudergesprek werd het ook nog besproken. De muur met kleurenmonsters van de hele klas vond ik intrigerend en leidde bij mij vooral tot heel veel vragen. Een visuele weergave van de emotionele gesteldheid van de klas. Bij onze dochter was het een mix van kleuren en leidde het tot boeiende gesprekken.


Ik ben opgegroeid met veel boosheid om me heen. Ik ben vanaf jonge leeftijd geconfronteerd met gebroken families, zowel aan de kant van mijn vader als die van mijn moeder. Mijn ouders zijn gescheiden. En een aantal onhandige keuzes van mijn ouders (al hebben zij op dat moment ongetwijfeld gehandeld naar eer en geweten en met de beste intenties), leidden er zelfs toe dat ik op mijn 14e van de een op de andere dag moest vluchten in de nacht naar een tijdelijk onderkomen. Kort daarna verhuisden we naar een andere stad aan de andere kant van Nederland.


Misschien denk je nu, vluchten? Toch is het waar. Spullen pakken en ongemerkt onze woonplaats in de nacht verlaten in het diepste geheim, omdat onze veiligheid op het spel stond. We werden bedreigd en er was al een schietpartij geweest, waaruit bleek dat het menens was. In één klap mijn vertrouwde omgeving achterlaten, alles wat ik had opgebouwd. Van gezin met ondernemende ouders, naar gezin in de bijstand ergens in een wijk in Groningen. Ik voelde me intens verdrietig en boos. Dat mijn vader vervolgens ook nog een psychose kreeg maakte het ondraaglijk.


Nu was de veiligheid binnen ons gezin dus ook naar de knoppen. Ineens was het ik met mijn broertje, mijn 13 jaar jongere zusje (toen een peuter) en mijn moeder, samen een front tegen mijn vader. Hij was dreigend naar ons, en vooral naar mijn moeder. Als oudste voelde ik mijn verantwoordelijk. Dus besloot ik, dat mijn moeder zich om mij in ieder geval geen zorgen hoefde te maken. Ik zocht een baantje, ik regelde alles op school zelf, deed mijn best om goede cijfers te halen en nam een groot deel van de zorg over mijn zusje over. Zonder pardon, ik had het besloten en dus deed ik het.


Ik was in het verleden al een aantal jaar ernstig gepest op school, maar ik had nooit verwacht dat het gymnasium waar ik ineens mijn verdere schoolcarrière moest voortzetten, mij ook zou uitkotsen. Het waren deze keer vooral de docenten, die last van mij leken te hebben en weinig begrip konden opbrengen voor wat er bij mij thuis aan de hand was. Al deden ze vast hun best. Ik vond de school elitair en voelde me er niet thuis en vooral, niet welkom. Dat leidde tot het besluit om wéér een andere school te kiezen. Een scholengemeenschap deze keer, waar er hopelijk meer diversiteit was en ik iets beter kon landen.


Mijn vader werd niet beter en concreet betekent dat, dat ik nooit meer de rust en ruimte heb kunnen vinden om gewoon kind te zijn. Om geaccepteerd te worden, zoals ik was, ook al was ik daar totaal niet mee bezig. Ik was aan het overleven en mijn enige focus was: diploma halen met goede resultaten, zodat ik later kon studeren, en dan zou ik het leven wel weer opnieuw bekijken en beoordelen. Ik was een buitenbeentje, sociaal onhandig, ontzettend flink en volwassen, maar voelde me voortdurend eenzaam, verdrietig, buitengesloten, onbegrepen en boos. Zelfs nu ik dit schrijf, krijg ik weer tranen in mijn ogen, omdat het me nog steeds raakt, hoe goed ik het nu ook heb.


‘Ik besta niet’, appte ik deze week een vriendin, die vroeg hoe het met me ging. Een beetje als grapje, maar ook met een kern van waarheid. Met verschillende ondernemingen in het onderwijs, waarmee ik mijn boosheid en frustratie naar het klassieke onderwijssysteem heb omgezet naar oplossingen en innovaties, die het onderwijs persoonlijker en uitdagender maken, heb ik het ongelooflijk druk. De onderwijsmarkt is een complexe markt. Ik heb ongelooflijk veel moeten bouwen, ontwikkelen, weggeven en bewijzen om een plek te mogen verdienen in het onderwijs, en nog steeds. Ik heb er een haat-liefde verhouding mee, maar het is mijn passie en dat drijft mij om door te zetten.


Naast bevlogen onderwijsondernemer, ben ik ook een zeer betrokken en liefdevolle moeder voor onze twee dochters. Beide vol overgave, en daarin kan ik mezelf nog weleens verliezen. Vandaar de opmerking: ‘ik besta niet’. Terwijl ik dat schreef, realiseerde ik me ook dat het niet helemaal klopt. Mijn ziel en zaligheid en precies zoals ik mijzelf ken, zit in beide passies verweven: het ondernemerschap én het moederschap. Het zorgt er juist voor dat ik kan bestaan in de meest optimale vorm. Dat het me soms dan niet zo goed lukt om iets beter voor mezelf te zorgen, dat is inderdaad een aandachtspunt waar ik aan werk. Dat gaat soms goed, maar kan vaak beter.


En dat brengt me bij het bestaansrecht: ‘het recht om te leven of om er te zijn’, zowel toepasbaar op iets of iemand, een mens, maar ook een organisatie. Precies daar ligt volgens mij de crux van de maatschappelijke onrust die er heerst en alle daaruit voorvloeiende boosheid. De documentaire Ik woke van jou vind ik een treffend voorbeeld van fundamentele standpunten m.b.t. ons bestaan en het recht te mogen bestaan. Wat mij is bijgebleven uit deze documentaire, is dat de boosheid die er in allerlei vormen wordt getoond en met allerlei redenen wordt verklaard, weinig ruimte overlaat voor een dialoog. Het is wij tegen zij, het is het een of het ander, je bent met ons of je bent tegen ons.


Ik vraag me af: hoe gaan we elkaar vinden in al deze boosheid? Strijden we niet allemaal voor hetzelfde doel, namelijk: het recht om te mogen bestaan in alle vormen die de mens en het leven kent, het bestaansrecht van onze prachtige planeet die we eigenhandig om zeep helpen, en vooral het recht op een leven waarin iedereen minimaal in alle basisbehoeften wordt voorzien? Dat ik het graag goed wil hebben, betekent niet dat ik het een ander niet gun. Dat ik me boos maak om iets, betekent niet dat het object van mijn boosheid vernietigd hoeft te worden. Als we allemaal boos zijn en blijven, komen we nooit tot elkaar. Juist nu het zo hard nodig is, dat we ons samen sterk maken.


Wat roept het thema boos bij jou op? Hoe maak jij boosheid bespreekbaar?

Ik lees het graag in de comments.


Warme groet, Kirsten Mauer


Tip: aankomende donderdag deelt Motile ook een gratis actualiteitenles over het thema boos, zodat je er in de klas ook het gesprek over aan kunt gaan.




Comments


bottom of page